Als moeder niet helemaal spoort

In de allereerste herinnering van Steffie Mons vliegt een gebloemde suikerpot door de lucht om tussen de ogen van haar vader in scherven uiteen te spatten: een goedgemikte worp van haar moeder. Vader rent bloedend de straat op, overtuigt moeiteloos de buren ervan dat zijn vrouw nu echt knettergek geworden is, de politie komt erbij, moeder – die intussen het geld van vader in de kachel staat te stoppen – wordt afgevoerd naar het gekkenhuis, en het oudere zusje van Steffie ruimt gelaten de suiker en de scherven op. Het is niet de eerste keer dat hun moeder wordt afgevoerd. Wel de laatste. Nog een enkele keer mag ze met weekendverlof naar huis, maar dat eindigt steevast in een drama.

Het gezin moet het verder zien te redden met een gekke moeder op afstand, een vader die zowel overdag als ’s avonds de deur uit is en een reeks gezinshulpen die de uitdrukkelijke opdracht hebben om, aldus Steffie, ‘aardig te zijn, maar niet lief, om gevoelens van wederzijdse genegenheid te voorkomen’.

Kunnen kinderen in een dergelijke omgeving gedijen? Nee, zouden we nu zonder aarzelen zeggen. Maar in 1958, het jaar dat Steffies moeder werd opgenomen, dacht men daar aanzienlijk luchtiger over. De consultatiearts die het gezin van de gekke moeder moet evalueren, meldt in zijn rapport dat er geen probleem is: de kinderen worden al groter dus de vader kan het alleen wel af. Groter? Steffie is op dat moment drie jaar oud, haar zusje nog geen vijf en haar broertje net een jaar.

In Wolfskwint beschrijft Bibi Dumon Tak, die eerder naam maakte met kinderboeken, de op feiten gebaseerde geschiedenis van Steffie Mons. Ze schets een aangrijpend beeld van de problemen waar de eenmaal volwassen Steffie tegenaan loopt: haar onvermogen zich aan anderen te hechten, het late besef van wat er precies allemaal in het gezin aan de hand was – met name de kwalijke rol die haar vader in het drama heeft gespeeld – en haar eigen schuldgevoel over de waanzin van haar moeder.

Steffie staat niet alleen met haar problemen. Ze deelt ze met een groep die tegenwoordig aangeduid wordt met de naam KOPP-kinderen (Kinderen van Ouders met Psychiatrische Problemen). Het besef dat deze kinderen specifieke moeilijkheden hebben is pas laat in de psychiatrie doorgedrongen. Belangrijk voor dat besef is de Engelse psycholoog John Bowlby geweest, die vanaf het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw zijn hechtingstheorie ontwikkelde. Het is, stelde Bowlby, voor kinderen in hun vroegste jaren van levensbelang zich te hechten aan degenen van wie ze afhankelijk zijn, meestal de ouders. Als ze erop kunnen vertrouwen dat die op ieder gewenst moment werkelijk beschikbaar zijn raken ze ‘veilig gehecht’. Maar als dat vertrouwen regelmatig en op belangrijke momenten geschaad wordt, dan ontbreekt die veiligheid en ontstaan er hechtingspatronen die kunnen uiteenlopen van een zich angstig vastklampen aan mogelijke hechtingspersonen, tot het vermijden van emotionele verbindingen.

KOPP-kinderen lopen met hun onberekenbare ouders een extra groot risico onveilig gehecht te raken en daar hun leven lang last van te houden. Het is voor psychotherapeut Jan Baars en psychiater Erwin van Meekeren reden om in hun voor van het voor therapeuten samengestelde bundel Een psychische stoornis heb je niet alleen een hoofdstuk over deze kinderen op te nemen en bij collega’s op aandacht voor hun problemen aan te dringen. Niet alleen omdat deze kinderen vaak hechtingsproblemen hebben, maar ook omdat ze een heel leger vormen van altijd aanwezige mantelzorgertjes. Zij ontwikkelen doorgaans goed ontwikkelde ‘voelsprieten’ voor het onvoorspelbare gedrag en de stemming van hun gekke ouder en leren daarop anticiperen en escalaties te voorkomen. Ze draaien daarmee in feite de rollen van ouder en kind om. De eigen behoeftes en gevoelens raken zo al snel volledig uit zicht.

Met deze omkering van rollen worstelt de Amerikaanse schrijver Richard Russo gedurende zijn hele leven. In zijn opmerkelijk liefdevol en met humor geschreven autobiografische roman Ergens anders vertelt hij hoe zijn moeder hem vanaf zijn vroege jeugd stevig in een twee-eenheid gevangen houdt. Hij is, zoals ze keer op keer benadrukt, de enige die haar begrijpt, haar rots in de branding. Het is aan hem haar fragiele toestand in de gaten te houden, haar paniekaanvallen te bezweren en haar te troosten. Haar inzinkingen, die konden aanzwellen tot ‘een storm van woede, paranoia, beschuldigingen en hartverscheurende wanhoop’, werden door de familie altijd weggewuifd als gewoon ‘de zenuwen’. Pas als hij eenentwintig is vraagt zijn vader, die het gezin al vroeg verlaten heeft hem terloops: ‘je wéét toch hopelijk wel dat je moeder niet spoort, hè?’ Dat wist hij niet, maar hij beseft meteen dat het waar is en dat hij er in wezen altijd een vermoeden van had. Schuldig voelt hij zich ook meteen, omdat de erkenning van haar gekte als verraad voelt. ‘Ik weet niet meer of dit schuldgevoel meteen kwam of later. Ik weet alleen dat het toereikend was voor de rest van mijn leven’. Tot zijn moeder op hoge leeftijd overlijdt, blijft hij er moeite mee houden de zorg voor zijn gezin en zijn carrière niet voortdurend ondergeschikt te maken aan de zorg voor zijn moeder.

 

Steffie Mons en Richard Russo groeiden beiden op in de jaren vijftig, en hoefden nauwelijks op begrip voor hun situatie te rekenen. De Nederlandse dichter Erik Lindner groeide op in de jaren zeventig en tachtig, toen de gezinssituatie rond psychiatrische patiënten meer in de aandacht begon te komen. In zijn roman Naar Whitebridge, gebaseerd op zijn eigen ervaringen met een moeder met een bipolaire stoornis, vertelt hij nuchter en helder hoe hij als dertienjarige jongen naar het Engelse landgoed gaat waar zijn uit een inrichting weggelopen moeder met een vriend terecht is gekomen. Van de Engelse huisarts krijgt hij een rol in de behandeling van zijn moeder: hem wordt gevraagd te controleren of ze haar pillen wel slikt. Tegelijkertijd – en daaraan is de voortgang van de tijd af te lezen – is die arts niet blind voor de schadelijkheid van de situatie. Hij heeft regelmatig gesprekken met de jongen om hem uit te leggen wat er met zijn moeder aan de hand is en is bezorgd over de mogelijke overdracht van de gekte van de moeder op de zoon. Hij vraagt of de jongen daar iets van herkent. Misschien wel: “Ik weet dat op het moment dat mijn moeder druk wordt, ik ingekeerd raak, moedeloos, dat ik me niet goed voel, niet direct maar onderhuids. Dat ik me sterk voel als ik haar kan helpen als zij juist ingekeerd is”. Waarop de dokter fel reageert met op zich geen gekke raad: “Get out son. Get out as quick as you can. Go get a life”.

Voor de meeste kinderen van een psychisch gestoorde ouder zit daarin echter het probleem: ‘maken dat je wegkomt’ is een keuze die een gefrustreerde partner nog wel kan maken, maar een kind zelden.

 

 

Bibi Dumon Tak: Wolfskwint – De geschiedenis van een gestoord gezin.

Atheneum- Polak & Van Gennep; 208 pagina’s; € 17,50.

ISBN9789025300364

4*

 

Jan Baars en Erwin van Meekeren (red): Een psychische stoornis heb je niet alleen – Praten met familie en naastbetrokkenen

Boom; 576 pagina’s; € 49,90.

3*

 

Richard Russo: Ergens anders

Vertaald uit het Engels door Kees Mollema

Signatuur; 216 pagina’s; € 19,95.

ISBN 9789056724689

4*

 

Erik Lindner: Naar Whitebridge

Bezige Bij; 206 pagina’s; € 18,50.

ISBN 9789023477013

3*