Arts die begrip wekte voor de zonderling

Oliver Wolf Sacks (1933 – 2015)

 

 

‘Ik heb liefgehad en er is van mij gehouden. Ik heb veel gegeven en heb daar wat voor teruggekregen. Ik heb gelezen en gereisd en gedacht en geschreven. Ik heb een bijzondere relatie met de wereld gehad, de relatie van schrijvers met hun lezers.

Bovenal ben ik een bewust wezen, een denkend dier geweest op deze prachtige planeet en dat was op zichzelf al een enorm privilege en avontuur.’

Met deze woorden eindigde de ingezonden brief, die de Amerikaanse neuroloog Oliver Sacks in februari dit jaar aan The New York Times schreef om zo, publiekelijk, zijn dood aan te kondigen. Hij had net gehoord dat de tumor die hem negen jaar eerder aan één oog blind had gemaakt, tot niet meer te genezen uitzaaiingen in zijn lever had geleid. Zijn toekomstperspectief leek tot enkele maanden te zijn ingekrompen..

Hoewel hij in zijn brief aangaf bang voor de dood te zijn, overheerste zijn dankbaarheid over het bevredigende leven dat hij heeft mogen leiden en de hoop nog even zo door te mogen gaan. Doorgaan met het verdiepen van de contacten met de mensen die hem lief zijn, en doorgaan met schrijven. Zijn autobiografie, Onderweg, was net af, maar er lagen nog twee andere boeken die voltooid moesten worden. Schrijven, geeft Sacks in Onderweg aan, is vanaf zijn veertiende jaar zijn levensader geweest. Het begon met dagboeken, waarvan hij er tussen zijn veertiende en zijn dood meer dan duizend vulde, en het was de kern van zijn bestaan als neuroloog.

Dat hij arts zou worden, was een gegeven dat feitelijk al bij zijn geboorte vastlag. Hij groeide op in een grote Joodse familie in Londen, waarvan enkele neven, twee van zijn drie broers en zijn vader en moeder arts waren. In Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd (2001) beschrijft hij hoe zijn voorliefde aanvankelijk de veilige wereld van de scheikunde gold. Die veiligheid zocht hij op nadat hij tijdens de oorlog vier traumatische jaren op een kostschool had doorgebracht. En ook om zich – weer thuis – af te sluiten voor de beklemmende aanwezigheid van een schizofrene broer. Maar ondanks zijn passie voor de scheikunde zou hij het familiespoor volgen en medicijnen studeren in Oxford.

Zijn homoseksualiteit – in de jaren vijftig nog een misdaad in Engeland en bovendien verafschuwd door zijn moeder – was een belangrijke reden om na zijn studie naar het minder benarde Amerika te vertrekken. De drie jaar die hij in San Francisco doorbracht werden gekenmerkt door onrust. Op lange motortochten vond hij een gevoel van vrijheid, met fanatiek gewichtheffen probeerde hij, vergeefs, zijn schuchterheid af te schudden en in de drugs zocht hij troost voor een paar mislukte liefdesaffaires. (Pas op vijfenzeventigjarige leeftijd zal hij werkelijk geluk in de liefde vinden bij de auteur Billy Hayes, met wie hij tot zijn dood samen was). Als hij naar New York vertrekt om zich in de neurologie te specialiseren neemt de drugsverslaving zulke destructieve vormen aan dat maatregelen geboden zijn. Hij zoekt hulp bij een psychoanalyticus, kickt af, besluit de geplande wetenschappelijke carrière op te geven en zich volledig te richten op wat zijn hart hem ingeeft: het werken met patiënten en schrijven over hun ervaringen.

Zijn eerste boek, Migraine (1970) schrijft hij als hij als beginnend neuroloog in een hoofdpijnkliniek werkt. Het is een gewaardeerd handboek geworden. Maar pas in Ontwaken in verbijstering (1973), over patiënten die dankzij het medicijn l-dopa korte tijd ontwaken uit de zombieachtige toestand waarin ze als gevolg van een slaapziekte veertig jaar verkeerden, tekent zich voorzichtig de Sacks af zoals we die wereldwijd hebben leren waarderen: de neuroloog die zijn lezers meeneemt in de wereld van zijn patiënten om te laten zien en voelen wat zij doormaken. Een belangrijke inspiratiebron voor Sacks was de Russische psycholoog A. R. Luria. Luria bepleitte een ‘romantische wetenschap’ van uitgebreide gevalsbeschrijvingen als een noodzakelijke aanvulling op de ‘harde’ wetenschap van getallen en diagnoses. Of Sacks met zijn gevalsbeschrijvingen ook werkelijk een serieuze bijdrage aan de wetenschap heeft geleverd valt te betwisten – en wordt door wetenschappers ook zonder meer betwist. De grote verdienste van zijn boeken zit veeleer in de belangstelling die hij bij het grote publiek heeft weten te wekken voor neurologische aandoeningen als autisme, het syndroom van Gilles de la Tourette, doofheid, mensen die geen gezichten kunnen herkennen, hun vermogen kleuren te zien kwijtraken of hun hele korte termijn geheugen moeten missen. Met De man die zijn vrouw voor een hoed hield verwierf Sacks in 1985 in één klap wereldfaam, en de boeken die volgden, zoals Stemmen zien, Een antropoloog op Mars en Het innerlijk oog, werden vrijwel zonder uitzondering bestsellers.

Zijn werk leidde tot verfilmingen en documentaires, en was voor veel mensen de inspiratie om over aandoeningen als Alzheimer, autisme of depressies van zichzelf of familieleden te schrijven.

Wat aanspreekt in het werk van Sacks is de bevlogenheid en de waardering waarmee hij over zijn patiënten schrijft. Hij presenteert ze niet als slachtoffers maar als mensen die met veerkracht, doorzettingsvermogen en onvermoede capaciteiten hun door een zware handicap verstoorde leven vorm te geven. Met zijn inlevingsvermogen heeft hij zijn talrijke lezers aanknopingspunten gegeven voor een beter begrip van mensen met een afwijking.

De dankbaarheid waarmee Sacks op zijn leven terugkijkt, kunnen we om die reden dan ook van harte met hem delen.