De motorversie van de aardige dokter

De dagen van Oliver Sacks zijn geteld. In februari van dit jaar meldde hij in een ingezonden brief aan The New York Times dat de oogtumor die hem negen jaar eerder het zicht van zijn rechteroog kostte, onverhoopt alsnog tot niet meer te genezen uitzaaiingen in zijn lever heeft geleid: ‘Ik moet nu beslissen hoe ik de maanden die me nog restten ga invullen.’

Bij zijn beperkte toekomstplannen hoort hoe dan ook schrijven: zijn autobiografie is net af, aldus Sacks, en een paar andere boeken moeten nog voltooid worden. Er is, kortom, nog werk te verzetten, maar dat betekent niet de 81-jarige neuroloog zijn resterende tijd met zure plichten vult. Schrijven is al vrijwel zijn hele leven zijn houvast en geluk geweest. Hij begon ermee toen hij veertien was, in dagboeken, waarvan hij er inmiddels meer dan duizend gevuld heeft. En hij vond er zijn draai mee als neuroloog toen hij de boeken ging schrijven waarmee hij wereldfaam verwierf. Zoals Ontwaken in verbijstering, over patiënten die als gevolg van een slaapziekte veertig jaar als zombies leefden en dankzij het middel l-dopa korte tijd uit hun toestand ontwaakten. Of zoals De man die zijn vrouw voor een hoed hield en Een antropoloog op Mars over de uitwerking van neurologische aandoeningen op de levens van zijn patiënten.

Waarom schrijven zo belangrijk voor hem is, vertelt hij op de laatste bladzijde van zijn inmiddels verschenen autobiografie On the Move: ‘De bezigheid van het schrijven geeft me, als het goed gaat, een vreugde die met niets te vergelijken is. Het brengt me naar een andere plek – wat het onderwerp ook is – waar ik volledig opgeslokt ben, me niet meer bewust van afleidende gedachten, zorgen, preoccupaties of zelfs maar het verstrijken van de tijd.’

Het helpt hem in elk geval nu zijn lichaam het laat afweten. In april van dit jaar schreef hij in een artikel hoe het werken aan de drukproeven van zijn autobiografie hem door de ergste bijwerkingen van een palliatieve behandeling heen hielp.

Maar wat waren precies de zorgen en preoccupaties die eerder in zijn lange leven met schrijven op afstand gehouden moesten worden? In On the Move schrijft Sacks voor het eerst openhartig over het dubbelleven dat hij jarenlang leidde. Het maakt zijn autobiografie zowel ontroerend als verrassend, en dat begint al met de foto op het omslag: we zien een jeugdige, in spijkerbroek en leer geklede Sacks die schrijlings op een BMW zit en verwachtingsvol de toekomst inkijkt.

‘Overdag,’ schrijft hij over deze motorversie van zichzelf, ‘was ik de aardige, witgejaste Dr. Oliver Sacks, maar bij het vallen van de nacht verruilde ik mijn witte jas voor mijn leren motoroutfit en glipte het ziekenhuis uit om, anoniem, als een wolf, door de straten te zwerven.’ Als om zijn dubbelheid te onderstrepen gebruikt hij zijn naam Oliver voor zijn collega-artsen en zijn tweede naam, Wolf, voor zijn motorvrienden.

De Sacks die we op de foto zien is een jongen die duizenden kilometers op zijn motor zal afleggen, hoofdzakelijk door Amerika, in een behoefte zich te bevrijden van de strikte kaders van het milieu waarin hij als student zijn draai niet kon vinden.

Dat ook zijn kinderjaren niet gemakkelijk waren, wisten we al uit de autobiografie die hij in 2001 over die periode schreef, Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd. Aan de vanzelfsprekende veiligheid en zorgeloosheid van zijn jeugd in een grote Joodse familie in Londen kwam een eind in 1939. De toen vijfjarige Sacks werd met zijn oudere broer Michael uit het met bombardementen bestookte Londen geëvacueerd en ondergebracht op een plattelandskostschool. Daar zorgden een sadistische hoofdonderwijzer en het geringe contact met thuis ervoor dat hij zijn geloof in zowel god als zijn ouders verloor. Hij keerde vier jaar later terug naar Londen als een stille, in zichzelf gekeerde jongen, die met schrik moest aanzien hoe zijn broer Michael psychotisch en onbereikbaar werd. Zelf zocht hij zijn toevlucht in de veilige wereld van de scheikunde. Het zou, ondanks zijn grote passie voor het vak, uiteindelijk niet zijn bestemming worden. Die lag in feite al vanaf zijn geboorte vast: hij werd arts, net als zijn vader, zijn twee oudste broers, her en der wat neven en niet in de laatste plaats zijn moeder, die een van de eerste vrouwelijke chirurgen van Engeland was. Zij liet hem als voorbereiding op zijn toekomst via haar werk wekenlang het lijk van een veertienjarig meisje ontleden. Ook Sacks zelf was op dat moment veertien. Of deze opdracht misschien niet wat veel gevraagd was van een puberende jongen leek ze zich geen moment af te vragen.

 

Het is ongeveer op dit punt in Sacks leven dat Oom Wolfraam stopt en On the Move de draad oppakt. En een van de eerste anekdotes in On the Move betreft opnieuw zijn moeder: hoe ze op een dag de trap af komt stormen om hem voor de voeten te gooien dat hij maar beter nooit geboren had kunnen worden, een monster is, een vergissing van de natuur, weerzinwekkend. En dat allemaal omdat ze net begrepen heeft dat hij meer op jongens valt dan op meisjes. Juist hij, haar lievelingszoon en wonderkind. Ze zal er na die uitbarsting nooit meer op terugkomen en er voor kiezen dit aspect van haar zoon negeren, maar voor Sacks heeft ze het niet gemakkelijker gemaakt zichzelf te accepteren zoals hij is.

Jaren van zoeken, experimenteren en ongelukkige verliefdheden volgen. Omdat homoseksualiteit in de jaren vijftig in Engeland nog als een misdaad geldt, wijkt hij voor zijn ontmaagding uit naar Amsterdam. Daar drinkt hij zich zo grondig moed in dat hij de volgende dag geen enkele herinnering heeft aan zijn eerste seksuele contact, maar het effent de weg. In diezelfde tijd hoopt hij zijn hinderlijke schuchterheid en onzekerheid te overwinnen door zijn lichaam te trainen met gewichten op de sportschool. Als hij na zijn studie naar Amerika vertrekt – ver weg van het homovijandelijke klimaat van Engeland, van zijn schizofrene broer en van de overvloed aan artsen met de naam Sacks in Londen – wordt gewichtheffen een ware passie. Hij traint fanatiek, pompt zichzelf met een overconsumptie van cheeseburgers en milkshakes op tot zwaargewicht en weet tenslotte de gewenste indruk te maken op Muscle Beach, dé plek in San Francisco waar gewichtheffers zich met elkaar meten. Aan de schuchterheid doet het helaas niets af.

Als tenslotte, in de paar jaar waarin hij in San Francisco zijn coassistentschappen doet, een half beantwoorde verliefdheid op een pijnlijke teleurstelling uitloopt, valt hij ten prooi aan het meest destructieve aspect van zijn dubbelleven: de drugsverslaving. Wat begint met af en toe een joint of een lsd-trip, slaat om in een regelrechte verslaving aan amfetamine, die hij vier jaar lang slikkend en spuitend en in steeds grotere hoeveelheden gebruikt. Wel weet hij het aanvankelijk min of meer tot de weekends te beperken en zit hij ’s maandags – trillend en half van de wereld – op zijn werk.

Pas als hij in 1965 naar New York verhuist, in de hoop daar een wetenschappelijke carrière op te bouwen, loopt zijn verslaving echt uit de hand: hij gebruikt dagelijks, meldt zich regelmatig ziek, eet nauwelijks meer, krijgt last van hallucinaties en kan alleen nog met slaapmiddelen slapen. Hij beseft dat hij, als hij zo doorgaat, binnen een jaar dood zal zijn .

‘1966 was een naargeestig jaar,’ schrijft Sacks ‘omdat ik probeerde de drugs op te geven – maar ook omdat het met mijn research niet wilde lukken en ik besefte dat het ook nooit zou gaan lukken, dat ik niet had wat nodig was om wetenschappelijk onderzoeker te zijn.’

Het was tijd voor een rigoureuze herbezinning. Hij zoekt de hulp van een psychoanalyticus – die hij ook nu nog altijd twee keer per week bezoekt – om uit zijn destructieve gedrag wijs te worden. Hij geeft zijn wetenschappelijke ambities op om te gaan doen waar zijn hart ligt: werken met patiënten. En hij heeft nog een laatste door drugs opgewekte manie die hem met grote helderheid laat zien dat wat hij moet en ook kan doen: een boek schrijven over het onderwerp waar hij mee bezig is, migraine, en wellicht nog andere boeken daarna.

En zo lost het dubbelleven van Sacks op en resteert het beeld van de vriendelijke, terughoudende en bij zijn patiënten betrokken dokter die we kennen uit documentaires en interviews (zoals het prachtige interview door Wim Kayzer in 1993 voor het VPRO-programma Een Schitterend Ongeluk).

Ook deze Sacks komt aan bod in On the Move, zij het minder systematisch en uitvoerig dan de Sacks die zijn weg nog moest vinden. Hij beschrijft van sommige boeken hoe ze tot stand gekomen zijn, de mensen die van betekenis voor hem geweest zijn, en zijn bizarre vermogen om keer op keer manuscripten kwijt te raken (bijvoorbeeld door ze niet goed vast te binden achter op zijn motor en vervolgens te moeten toezien hoe een losgevlogen manuscript door het langsrazende verkeer volledig aan flarden gereden wordt).

Van de mensen die van betekenis zijn geweest voor het werk van Sacks springt de Russische neuropsycholoog A. R. Luria er zonder meer als belangrijkste uit. Luria pleitte ervoor de ‘harde’ wetenschap van getallen en diagnoses aan te vullen met wat hij de ‘romantische’ wetenschap van de uitgebreide gevalsbeschrijving noemt, omdat patiënten alleen zo recht wordt gedaan. Deze opvatting wordt het kenmerk van het werk van Sacks vanaf Ontwaken in verbijstering, dat hij in 1973 schreef en dat vooral bekend werd dankzij de verfilming in 1990 met Robin Williams als de neuroloog waarin moeiteloos Sacks te herkennen is en Robert de Niro als een van de patiënten.

Het eerste boek waarmee Sacks de harten van een groot publiek wist te bereiken was De man die zijn vrouw voor een hoed hield (1985), en daarna is zijn populariteit alleen maar stijgende geweest. Met zijn boeken, waarin hij ook zijn eigen ervaringen met handicaps zorgvuldig onder de loep neemt, heeft Sacks een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan een beter begrip van mensen met bijvoorbeeld autisme of het syndroom van Tourette.

De aanpak in zijn boeken heeft bovendien tot navolging geleid en is zo een belangrijke pijler geworden onder het enorme bouwwerk van boeken over patiëntenervaringen – met aandoeningen als autisme, adhd, depressies en hersenbloedingen – dat vanaf de jaren tachtig verrezen is.

 

Wat in al die jaren van patiënten bezoeken en boeken schrijven opvallend afwezig is, is zijn homoseksualiteit. Hij heeft nog een kortstondige seksuele verhouding in 1974 en lijkt het daarna afgezworen te hebben. Als Lawrence Weschler in de jaren tachtig het voorwerk doet voor een biografie over Sacks, blaast Sacks dit project uiteindelijk af omdat hij er per se niets over zijn homoseksualiteit in wil hebben.

Waarom is hij er dan nu plotseling zo open over? Simpel: hij heeft in 2008, vlak na zijn vijfenzeventigste verjaardag, de auteur Billy Hayes leren kennen. Ze zijn verliefd geworden en Sacks heeft zich daar voor het eerst van zijn leven aan durven overgeven. Voor het eerst ervaart hij het geluk van samenwonen, van samen eten in plaats van haastig een blikje sardines leeg lepelen, samen zwemmen in de zee en samen oude films kijken op de bank.

En zo wordt deze bijzondere autobiografie van een man die een toekomstperspectief van nog hooguit enkele maanden heeft, toch een boek met een happy end.

 

Oliver Sacks: On the Move – A Life

Mcmillan Publishers Ltd; 400 pagina’s; 28,99

ISBN 9781447264057