De Mr. Hyde in u

De Schotse schrijver Robert Louis Stevenson lag in de herfst van 1885 zo ziek en koortsig in zijn bed te woelen, zelfs te schreeuwen, dat zijn vrouw Fanny hem wakker maakte. Ze dacht dat hij een nachtmerrie had. Maar Stevenson reageerde boos: hij was net middenin een spannende droom die hij graag afgemaakt had. Dat deed hij alsnog: hij gebruikte de droombeelden als uitgangspunt voor een verhaal dat hij in de drie dagen die volgden in zijn bed schreef. Fanny las het verhaal, zoals ze alles las wat hij schreef, maar keurde het af omdat ze vond dat er meer in zat dan een rechttoe rechtaan verteld horrorverhaal. Op haar advies schreef hij vervolgens binnen een week een meer allegorische vertelling over het menselijk tekort, het kwaad in ieder mens dat onvermoeibaar een weg naar buiten zoekt: De zonderlinge geschiedenis van Dr. Jekyll en Mr. Hyde.

Het boek was een ogenblikkelijke bestseller, zou in de twintigste eeuw talloze malen verfilmd worden en was de inspiratie voor stripfiguren als de Hulk en Two-Face. Inmiddels behoort Stevenson tot de 25 meest vertaalde schrijvers ter wereld, getuige ook de zojuist verschenen nieuwe Nederlandse uitgave.

Vanwaar dit succes? Wat enorm hielp was natuurlijk de Victoriaanse mentaliteit. Voor de betere kringen van Stevensons tijd golden de menselijke driften bijna zonder uitzondering als kwalijke strevingen die tot iedere prijs onderdrukt moesten worden. Stevenson toonde een man die zich daar niet bij wenste neer te leggen. En Stevenson deed dat – en dat was de tweede sleutel tot succes – door er een verhaal over een meervoudige persoonlijkheid van te maken.

 

In Jekyll zijn goed en kwaad beide zo sterk vertegenwoordigd dat het wringt. Enerzijds is hij de gerespecteerde arts en man van de wetenschap die goed doet en hecht aan een smetteloze reputatie. Anderzijds is hij de speelbal van zijn moeilijk te beteugelen hang naar alles wat god verboden heeft: ‘Het is de vloek van de mensheid dat deze twee niet bij elkaar passende neigingen gedoemd zijn altijd samen te moeten leven – dat in de gekwelde schoot van het bewustzijn deze polaire tegendelen hun eeuwige worsteling moeten voeren.’ De wens beide kanten van zichzelf de ruimte te geven, drijft hem tot een buitengewoon riskant dubbelleven. Te riskant, concludeert hij, en hij besluit tot een gewaagd experiment: hij ontwikkelt een drankje waarmee hij zichzelf van gedaante kan laten veranderen. Deze tweede versie van Jekyll, die als Mr Hyde door het leven gaat, is kleiner en jonger en heeft een onaangenaam gezicht waarop ‘het kwaad een stempel had gedrukt van misvorming en verval’. Mr Hyde kan zich naar hartenlust overleveren aan zijn tomeloze lusten om na gedane arbeid opnieuw een slokje van de drank te nemen en weer terug te keren naar de respectabele gedaante van dr Jekyll. Geen mens zal Jekyll nog de daden van de zo duidelijk anders ogende Hyde kunnen aanrekenen. Natuurlijk blijkt deze wisseltruc in gedachten werkbaarder dan in de concrete praktijk. De persoonsverdubbeling loopt uit op door Jekyll niet voorziene drama’s.

 

Jekyll en Hyde zijn spreekwoordelijk geworden voor twee identiteiten die in dezelfde persoon verenigd zijn en zich beurtelings laten gelden.

Het idee dat in ieder mens verschillende persoonlijkheden konden huizen, intrigeerde schrijvers al gedurende de hele negentiende eeuw. Tot het einde van de achttiende eeuw had men drastische persoonsveranderingen vooral als het werk van de duivel beschouwd. De toevallige ontdekking rond 1780 van de hypnose door een Franse edelman, de Marquis de Puységur, liet zien dat de duivel daar part noch deel aan had.

Puységur probeerde op zijn landgoed een jonge boer te magnetiseren volgens de methode die hij in Parijs van de Duitse arts Anton Mesmer geleerd had. Mesmer had bedacht dat een onzichtbare, fijne stof overal in het heelal en ook door het menselijk lichaam stroomde. Obstructies in die stroom leidden tot ziektes die een magnetiseur met strijkende bewegingen kon opheffen: de patiënt kreeg stuiptrekkingen en was vervolgens genezen. De jonge boer die door Puységur gemagnetiseerd werd, reageerde totaal anders: hij kreeg geen stuiptrekkingen maar raakte in een toestand die aan slaapwandelen deed denken. In deze toestand gaf hij adequaat antwoord op de vragen van Puységur. Meer dan adequaat zelfs: hij sprak niet als de zwijgzame, ongearticuleerde boer die hij normaal gesproken was maar als een intelligent en beschaafd man, die bovendien een helder inzicht had in zijn eigen ziekte en zijn magnetiseur voorspelde hoe zijn genezing zou verlopen. Hij leek, kortom, een totaal ander mens.

Het idee dat mensen meerdere persoonlijkheden in zich konden hebben, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op schrijvers. Dubbele persoonlijkheden doken in allerlei vormen op, vaak als dubbelgangers. Jekyll en Hyde hadden hun voorgangers in boeken als Het duivelselixer (1816) van E.T. A. Hoffmann, William Wilson (1839) van Edgar Allan Poe en De dubbelganger (1846) van Dostojevski.

Een tijdgenoot van Jekyll was Trilby in de gelijknamige roman van George du Maurier. Ook Trilby had twee verschijningsvormen: de goedhartige en loyale vriendin die geen noot kon zingen, en het kille, ordinaire meisje dat haar vrienden verloochende en tegelijkertijd volle zalen trok met haar weergaloze zangstem. De kille, zingende uitvoering kwam naar voren zolang ze binnen de blik van de perfide hypnotiseur Svengali bleef. Zodra hij een hartaanval krijgt tijdens een optreden, is het met haar zangkunst gedaan.

Trilby werd een al even grote kaskraker als De zonderlinge geschiedenis van Dr. Jekyll en Mr. Hyde. Beide boeken beschreven een meervoudige persoonlijkheid in een tijd dat de meervoudige persoonlijkheidsstoornis het onderwerp van systematische medische studie werd. Dat hing samen met de late medische erkenning van hypnose. Ruim honderd jaar lang hadden verschillende magnetiseurs en hypnotiseurs naar die erkenning gestreefd, om steeds weer stuk te lopen op het cynisme van het medisch establishment. Waar hypnotiseurs wonderbaarlijke genezingen zagen, zagen medici vooral kwakzalverij. Maar toen de overdreven claims van de hypnotiseurs geleidelijk verdwenen, volgde tenslotte toch de gewenste erkenning. En omdat meervoudige persoonlijkheden bij uitstek tot de stoornissen behoorden die door hypnose aan het licht kwamen, beleefden zij in medische kringen een bloeitijd. Voor het grote publiek waren Trilby en Dr. Jekyll er de perfecte illustraties van.

 

Lang zou die bloeitijd overigens niet duren. In de twintigste eeuw trokken nieuwe inzichten over de strevingen van de mens de aandacht, met name Freuds ideeën over het onbewuste als bewaarplaats van ongepaste wensen.

De kracht van De zonderlinge geschiedenis van Dr. Jekyll en Mr. Hyde is dat het ondanks dergelijke veranderde inzichten overeind bleef als een fraaie illustratie van de tijdgeest. De drie elementen waarin Freud de menselijke conditie opdeelde, het id, ego en superego, zijn terug te vinden in de verschillende verschijningsvormen van Jekyll. Het id, de aanduiding van de egocentrische driften, is ondergebracht bij Mr Hyde. Hij mag zijn liederlijke gang gaan. Het superego – de verwachtingen van ouders en maatschappij die de mens zich eigen maakt – zijn toebedeeld aan de respectabele arts die Jekyll vindt dat hij eigenlijk ten alle tijden zou moeten zijn. En het ego, de instantie die moet zorgen dat id en superego tot een leefbaar vergelijk komen, ligt in handen van Jekyll. Hij is zich van beide strevingen in zichzelf bewust.

 

De meervoudige persoonlijkheid raakte door de nieuwe inzichten van de twintigste eeuw op de achtergrond, maar beleefde rond 1980 een korte, spectaculaire comeback. Dit keer ging het om jonge vrouwen die verschillende persoonlijkheden zouden hebben ontwikkeld om traumatische seksueel misbruik, veelal door de vader, buiten het normale bewustzijn te houden. Hypnose was volgens de betrokken therapeuten de weg om deze persoonlijkheden – en het misbruik – boven tafel te krijgen, maar die praktijk nam al snel bedenkelijke trekken aan. Het aantal persoonlijkheden kon onwaarschijnlijk uit de hand lopen (een boektitel uit die tijd: De 147 personen die ik ben) en talloze vaders werden aangeklaagd op grond van valse ‘hervonden’ herinneringen. Tegenwoordig leidt de stoornis onder de naam dissociatieve indentiteitsstoornis een omstreden en marginaal bestaan.

Ook in romans zijn meervoudige persoonlijkheden naar de marges verdwenen. Hooguit halen thrillerauteurs ze vanwege de voor de hand liggende mogelijkheden voor het plot nog wel eens uit de kast.

Als de vrouw van Stevenson niet ingegrepen had, was De zonderlinge geschiedenis van Dr. Jekyll en Mr. Hyde waarschijnlijk ook niet meer geweest dan dat: een thriller met een onverwachte wending aan het einde. Door aan te dringen op een allegorische vertelling schreef Stevenson daarentegen een boek dat raakt aan de kern van de menselijke conditie, en dat als bonus ook nog een belangrijk deel van de psychiatriegeschiedenis in zich meedraagt. Zo’n boek verjaart nooit.

 

 

R. L. Stevenson: De zonderlinge geschiedenis van Dr. Jekyll en Mr. Hyde

Vertaling uit het Engels: Yge Foppema en Jakob Mordegaai

Bijleveld, Uitgeverij; 144 pagina’s; € 16, 50

ISBN 978 90 6131 781 4