Een geneeskundig treurspel

Een geneeskundig treurspel

 

Van Hedwig Marga de Fontayne was al jong duidelijk dat zij leed aan een ‘droefheids-aandoening’: ‘Als kind nog, zij zal negen jaar oud geweest zijn, begon reeds de beklemming van iets geweldigs en ontzettends, zwaar en droef, dat niet weg wou, en dat zij toch nooit stellig zag’[i]. Op elfjarige leeftijd loopt ze tyfus op en heeft ze, als gevolg van de hoge koorts, een eerste psychose. Ze is veertien wanneer ze zichzelf aan een zolderraam probeert op te hangen. En ze doet als jonge, pasgetrouwde vrouw een tweede zelfmoordpoging wanneer haar man haar minnaar wil doodschieten. Als ze vervolgens met haar minnaar in Engeland woont en een kindje van hem krijgt dat binnen een maand sterft, krijgt ze de zware psychose die haar via omzwervingen in een krankzinnigengesticht in Parijs doet belanden.

Wie Van de koele meren des doods (1900) in de huidige tijd leest, kan bijna niet anders dan concluderen dat de schrijver met Hedwig een vrouw heeft willen schetsen die aan een ernstige psychiatrische stoornis lijdt.

Toch ontkende Frederik van Eeden dat hartstochtelijk. Hedwig was niet van aard en aanleg ziekelijk, betoogde hij in het voorwoord van de tweede druk van zijn roman in 1904, zij was ‘door uiterst fijne en edele bewerktuiging, veel meer aan schadelijke invloeden blootgesteld, dan de grove, gemiddelde mens’[ii].

Hij schreef dit voorwoord om zich te verweren tegen de vele critici die zijn boek helemaal geen roman vonden maar veeleer een wetenschappelijke studie van een pathologisch geval, ‘een geneeskundig treurspel’. Je hoefde alleen de franje er maar af te halen en je kon er zo op promoveren. Een gegriefde Van Eeden sloeg in zijn voorwoord terug met: ‘Dit is de banale opvatting van oppervlakkig-denkende en gevoelende lezers. (…) Dit werk is geheel door kunstenaarsmotieven ontstaan en wetenschappelijke motieven zijn er ten enenmale vreemd aan gebleven. Hoezeer de schrijver ook moge te kort gekomen zijn in de uitvoering, de bedoeling was geen andere dan de wedergave, het weder doen ondervinden, door anderen, van de zelf ondergane schoonheids-emotie.’[iii]

De discussie – is Van de koele meren des doods een literair werk of een psychiatrische studie – laaide in de decennia die volgden regelmatig op, waarbij wel de steun voor van Eeden steeds meer toenam.

Was het niet, schreef Albert Verwey in 1935, de hoogste voldoening voor de schrijver, dat critici zijn boek zo levensecht vonden dat ze meenden dat het om een werkelijke gevalsbeschrijving ging? Waarom wees Van Eeden die lof eigenlijk af? ‘Maakte Dante bezwaar als men zijn Inferno voor een werkelijke helbeschrijving hield?’[iv]

Maar hoe levensecht was het verhaal van Van Eeden? Was het inderdaad zo psychiatrisch doortimmerd en konden de critici dat wel beoordelen? In de eerste decennia na verschijning van het boek waren het vooral literatuurrecensenten die zich publiekelijk over het boek uitlieten. Pas in 1964 voegde zich daar het oordeel van een psychiater bij.

 

Een levensechte roman

 

Het toenmalige ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen vroeg psychiater H. C. Rümke om zijn professionele licht over het boek van Van Eeden te laten schijnen. Rümke, op dat moment hoogleraar psychiatrie in Utrecht, was een zeer gerenommeerd psychiater, een groot liefhebber van literatuur en schrijver van gedichten. In zijn uitgebreide essay Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods (1964) klinken niet alleen zijn analytische kracht, zijn zorgvuldig afwegen en zijn grote kennis van zaken door, maar ook zijn liefde voor de letteren en zijn bewondering voor Van Eeden door.

Hij maakt al in de inleiding van het essay duidelijk dat hij weinig opheeft met de critici die het boek niet als roman zien maar als een wetenschappelijk verantwoorde ziektebeschrijving.

Wie dat doet, schrijft hij, ‘ziet over het hoofd dat het boek over menselijke problemen gaat die voor ons allen gelden, of wij psychisch gestoord zijn of niet.’[v] Zo wil Van Eeden, zoals hij zelf schreef, overtuigend aantonen dat een mens ‘door de diepste diepten kan gaan en toch tot grote innerlijke hoogte kan stijgen’. Hedwig eindigt dan ook niet in het krankzinnigengesticht, maar vindt, na nog een periode als morfiniste en prostituee in Parijs geleefd te hebben, dankzij gesprekken met een non haar weg terug naar het geloof en vervolgens naar een eenvoudig, dienstbaar en redelijk gelukkig leven op het Hollandse platteland.

Wat Rümke ook meteen terzijde schuift is de suggestie dat Van Eeden een hem bekend ziektegeval omgewerkt heeft tot een roman. Uit brieven en het dagboek van Van Eeden blijkt duidelijk dat Hedwig gebaseerd is op verschillende vrouwen die van betekenis waren in het privéleven van de schrijver.

Voor het eigenlijke essay vlooit hij vervolgens zorgvuldig de tekst door op de psychiatrische aspecten. Hij constateert dat Van Eeden in 1900 zijn collega’s ver vooruit was in het onderkennen van het belang van omgevingsfactoren bij het ontstaan van psychische stoornissen. Hedwig kreeg ook nogal wat voor haar kiezen. Haar moeder sterft als Hedwig elf is, haar vader raakt aan de drank, de huishoudster die voor de opvoeding van de kinderen wordt aangenomen ziet Hedwigs ontluikende seksualiteit vooral als wulpse behaagziekte die afgestraft dient te worden, de man die Hedwig trouwt, vindt seks banaal en wil daarom het huwelijk niet consumeren, haar minnaar keert zich van haar af, en haar kindje overlijdt. Je moet uit degelijk hout gesneden zijn om zoveel ellende ongeschonden te doorstaan. Dat is ze niet, aldus Van Eeden, ze is fijn en edel bewerktuigd, gevoeliger dan de gemiddelde grove mens.

Dat hij daarmee tegelijk zegt dat Hedwig naar ‘aard en aanleg niet ziekelijk’ is, gaat Rümke een stap te ver. Het vroege begin van haar zwaarmoedigheid, haar zo gedetailleerd beschreven eigenaardigheden, haar psychoses en zelfmoordpogingen: Rümke vindt het niet zozeer wijzen op een ‘fijne en edele bewerktuiging’, als wel op een ronduit ondeugdelijk bewerktuiging.

Wat Rümke echter vooral treft in het boek is dat hij zichzelf er voortdurend op betrapt Hedwig te beschouwen als een werkelijk bestaand mens, nooit helemaal te doorgronden en beschreven in aandoeningen en gedragingen die ver voorbij de grenzen van de psychiatrie gaan.

Van de koele meren des doods, concludeert hij, is dan ook vóór alles het werk van een zeer begaafd schrijver: ‘Ik ken geen psychiater die zulke ziektegeschiedenissen kan schrijven en ik ken geen schrijver die het gelukt is de psychotische mens zo levensecht weer te geven.’[vi]

 

Vergeten discussie

 

Hielp het essay van Rümke de discussie over Van de koele meren des doods verder? Dat zou het misschien gedaan hebben als de discussie nog gaande was geweest. Maar in 1964, het jaar waarin het essay gepubliceerd werd, was het boek hard op weg in de vergetelheid te raken. Zoals Rümke schrijft: ‘Op het ogenblik kunnen wij nauwelijks zeggen: Van Eeden is miskend. Bijna niemand kent hem.’

Bovendien waren de tijden veranderd. In 1900 vormden psychiaters een nieuwe beroepsgroep; ze waren de kersverse concurrenten van schrijvers, beide getraind in het doorgronden van de menselijke ziel. Zou, zo vroeg menig schrijver en criticus zich af, de blik van psychiaters daarbij niet ernstig begrensd worden door de kaders van hun nog maar net ontgonnen vakgebied? Zo schrijft Van Nouhuys in zijn kritiek van Van de koele meren des doods: ‘Ik ben al enige jaren bang geweest dat bij Van Eeden de wijsheid de poëzie bedriegen zou.’[vii]

In 1964 was de psychiatrie ruimschoots ingeburgerd en kwamen psychiaters om heel andere redenen onder vuur te liggen. In het tumult dat als ‘antipsychiatrie’ de geschiedenis is ingegaan, werden psychiaters afgeschilderd als ordebewakers die opstandige dwarsliggers onder de duim hielden. Wie was er nou gek, de bizarre maatschappij met zijn oorlogen en geldbejag, of de ‘patiënt’ die niet in de pas liep? De Schotse psychiater Ronald Laing richtte de aandacht vooral op het gezin, die hij zag als een kluwen van dubbele boodschappen en hypocrisie. Het was, in zijn ervaring, het meest gevoelige gezinslid dat daar doorgaans de dupe van werd en in een inrichting belandde.

In Laings redenering is de ‘fijne en tere bewerktuiging’ van Van Eeden moeiteloos te herkennen. Het onderstreept Rümkes constatering dat Van Eeden zijn tijd enige decennia vooruit was door de nadruk op omgevingsfactoren te leggen.

Inmiddels is de antipsychiatrie verre geschiedenis, ligt de nadruk in de psychiatrie weer op aanleg en erfelijkheid en worden psychische stoornissen overwegend beschouwd als ziekte. Maar de vraag naar de grens tussen ziektegeschiedenissen en romans roept geen discussie van betekenis meer op. Integendeel, er is tussen beide een groot grijs gebied ontstaan van ervaringsverhalen – over depressies, alzheimer, schizofrenie, autisme of het verblijf in een inrichting – die al naar gelang er delen gefictionaliseerd zijn, als roman worden aangeprezen.

Ieder tijdperk zijn eigen literatuur. Maar wie Rümkes essay leest kan niet anders dan een lichte heimwee voelen naar een tijd waarin ziektegeschiedenissen nog wel ter discussie stonden en aanleiding gaven tot een zo fraaie en gedegen ontleding.

 

 

 

 

[i] Frederik van Eeden, Van de koele meren des doods, Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1969, p. 8

[ii] Van de koele meren des doods, p. 5

[iii] Van de koele meren des doods, p. 5

[iv] H. C. Rümke, Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods, Utrecht: Bohn, Scheltema en Holkema, 1977, p. 13

[v] Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods, p. 15

[vi] Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods, p. 133

[vii] Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods, p. 11