Eva Meijer: De grenzen van mijn taal

Somberte drong al met vlagen het leven van Eva Meijer binnen toen ze nog maar acht jaar oud was. Op haar veertiende veranderde deze korte vlagen in een aanhoudende depressie die, met korte tussenpozen, tot haar eenentwintigste zou duren.

In het zojuist verschenen essay De grenzen van mijn taal beschrijft Meijer hoe ze in die periode een therapeute bezocht die haar om de week “drie kwartier liet praten over mijn sores, zonder dat ik enig idee had waar dat heen zou gaan en zonder dat ik me ook maar een greintje beter ging voelen”; hoe ze in die tijd bovendien minder en minder ging eten – “om mezelf te straffen en om controle te krijgen over het gevoel dat me overspoelde”. En hoe het na haar eenentwintigste eindelijk rustiger werd, al zouden er nog wel kortere periodes van depressie volgen en zal de gevoeligheid voor depressies altijd op de loer blijven liggen.

Hoewel Meijer haar depressies en de manier waarop ze daar mee heeft leren leven gedetailleerd beschrijft, is De grenzen van mijn taal niet in de eerste plaats bedoeld als een ziekteverslag. Meijer: “Ik gebruik mijn eigen leven als lens om de structuur en betekenis van depressie te onderzoeken”.

Dat onderzoek voert haar naar de voor haar vertrouwde terreinen van de filosofie, de literatuur en de kunst. Meijer is singer-songwriter, beeldend kunstenaar, filosoof en schrijfster van verhalen, romans en essays waarvoor ze meerdere prijzen won. Vorig jaar verscheen het met de Hypatiaprijs bekroonde, op haar proefschrift gebaseerde essay De soldaat was een dolfijn, over een rechtvaardigere, meer democratische vorm van samenleven met dieren.

In De grenzen van mijn taal lezen we over Meijers vroege kennismaking met het werk van de Franse existentialist Sartre, die met zijn nadruk op de zinloosheid van het leven en vervreemding zo nauw raakte aan wat zij als puber meemaakte. Ze haalt het werk van de Franse filosoof Foucault aan, die de historische bepaaldheid van ons beeld van wat we waanzin noemen op de kaart zette. En ze laat ons door de ogen van Oostenrijks-Britse filosoof Wittgenstein kijken naar de ontoereikendheid van taal om privé-ervaringen mee te beschrijven.

De beeldende kunst wordt in het essay vooral vertegenwoordigd door een installatie van de Britse Tracey Emin, My Bed: Emins eigen rommelig bed met witte lakens, waarin ze vier dagen onafgebroken doorbracht na een verbroken relatie, omgeven door persoonlijke spullen van pantoffels en een knuffel tot condooms en wodkaflessen. ‘Zo erg was het’, zegt dit bed. Voor Meijer is het een fraai beeld voor depressie omdat ‘veel depressies in bed worden doorstaan en omdat het een plek is buiten het echte leven’.

De literatuur, tenslotte, komt in haar betoog onder meer aan bod met Franz Kafka, die met in verhaal De hongerkunstenaar een man toont die van langdurig vasten een kermisattractie heeft gemaakt en pas als hij het publiek begint te vervelen beseft dat er aan dat vasten van hem niks nobels is, maar hij er wel verslaafd aan is geraakt.

Meijer heeft zonder meer mooie invalshoeken voor haar verhaal over depressie bij elkaar gebracht, maar dragen ze ook bij – zoals haar inzet was –  aan een beter begrip van depressie? Het zou niet helemaal reëel zijn dat binnen het korte bestek van dit essay te verwachten en dat doet het ook niet. Althans, niet op de manier die Meijer voorstond.

De verwijzingen naar filosofie, kunst en literatuur lijken vooral zinvol als ijkpunten aan de hand waarvan Meijer haar eigen ervaringen ordent en verwoordt. Zo verbindt ze het verhaal van Kafka ze aan haar inmiddels overwonnen anorexia. En strookt het belang dat de Franse filsoof Merleau-Ponty hecht aan gewoontes, met de steun die ze zelf ondervindt van het vasthouden aan gewoontes – het dagelijks wandelen met haar honden, hardlopen, werken – om depressieve periodes te doorstaan.

Aan het begin van haar essay noemt ze de vele ziekteverslagen in de eerste persoon die over depressie geschreven zijn, zoals Darkness Visible van William Styron of The Noonday Demon van Andrew Solomon. Verslagen die zich als echte oorlogsverslagen, inclusief alle gore details, laten lezen. Ze haalt ook de medisch ethicus Kevin Aho aan, die stelt dat deze verslagen essentieel zijn om de depressieve ervaring beter te begrijpen dan je op grond van het al dan niet aanmaken van stofjes in de hersenen of waarneembaar gedrag kunt doen. Zo’n verslag wil ze, hoe nuttig ook, niet schrijven.

Toch blijft je van De grenzen van mijn taal dat het meeste bij: het verslag van haar ziekte. En daar is niks mis mee. Het is een mooi verslag.

Eva Meijer: De grenzen van mijn taal – Een klein filosofisch onderzoek naar depressie

Cossee; 144 pagina’s; € 15, 50

ISBN 9789059368224