Het loon van de angst

‘Ik ben niet gestoord, ik ben gewoon krankzinnig,’ schreef Gerard Reve in 1973 aan zijn huisarts. ‘Ik bedoel, het zit bij mij door en door, en daarom heb ik er geen last van. Maar ik schrijph gewoon alles op, wat of ik denk, en krijg daar veel geld voor.’ Reve bestreed zijn terugkerende zware depressies met drank en medicijnen en schreef tussendoor zijn succesvolle boeken.

Hing zijn schrijverstalent samen met wat hij zijn ‘krankzinnigheid’ noemt? En gold dat niet voor veel van zijn collega’s: zijn dichters en schrijvers vaker gek dan de gemiddelde sterveling? Het is een stelling die met grote hardnekkigheid door alle eeuwen heen de kop blijft opsteken. Van Aristoteles in de Oudheid (‘Waarom komt het dat alle mannen die uitzonderlijk zijn geweest in de literatuur of de kunsten, melancholici blijken te zijn?’), Lord Byron aan het begin van de negentiende eeuw (‘Wij dichters zijn allemaal krankzinnig’) tot Lodewijk van Deyssel aan het einde van de negentiende eeuw (zie kader) en Adriaan Roland Holst in de twintigste eeuw. Roland Holst verborg de stelling in een gedichtje dat hij voor de zwaar depressieve Simon Vestdijk schreef, om hem een hart onder de riem te steken (zie kader). De strekking: zonder de angsten en wanhoop waaronder je gebukt gaat, zou je geen groot dichter zijn maar een derderangs rijmelaar. Het één kan niet zonder het ander. Nodeloos te vermelden dat Roland Holst zelf ook aan zware depressies leed.

Het voortdurende opduiken van de stelling maakt hem niet zonder meer overtuigend, sterker, het roept vooral de neiging op de stelling onderuit te halen met tegenvoorbeelden van de vele schrijvers die mentaal een ordelijk bestaan leiden. Maar toch: een snelle rondgang door het literaire veld maakt duidelijk dat er heel wat schrijvers met zware psychische problemen te kampen hebben of hebben gehad. Van August Strindberg, Gérard de Nerval, Virginia Woolf en Sylvia Plath tot – van eigen bodem – Willem Bilderdijk, Willem Kloos, Jan Arends, Maarten Biesheuvel, Hans Dorrestijn en Rogi Wieg. De lijst is naar believen uit te breiden. Helemaal zonder grond kan de vermeende verbinding van waanzin met schrijverschap toch ook niet zijn.

Ons meest beroemde, zo niet beruchte, voorbeeld is waarschijnlijk Gerrit Achterberg, de boerenzoon die achter zijn schuwe, in zichzelf gekeerde voorkomen twee grote passies verborg: dichten en vrouwen. Met dat dichten kwam het helemaal in orde, met vrouwen maakte hij er een puinhoop van. Wat hem opbrak was dat hij noch zijn eigen gedrag noch dat van de uitverkoren vrouw in de hand had. Als zijn eerste vriendin een keer niet op een afspraak komt opdagen, is hij zo gefrustreerd dat hij naar haar ouderlijk huis fietst om haar zwaaiend met een pistool en dreigend met zelfmoord tot de orde te roepen. De geschiedenis herhaalt zich bij een volgende verloofde en als hij dan ook nog een leerlinge lastigvalt, verdwijnt hij korte tijd een inrichting. Hij krijgt weliswaar de diagnose ‘psychopathie’ maar wordt ongevaarlijk genoeg geacht om weer vrij rond te lopen. En dan gaat het helemaal mis. Hij komt bij een hospita en haar zestienjarige dochter te wonen, vraagt zonder succes de hospita ten huwelijk, en probeert vervolgens de dochter – pistool weer bij de hand – te verkrachten. De op het tumult afkomende hospita schiet hij dood, de wegvluchtende dochter krijgt een schampschot in haar nek en hoewel Achterberg zichzelf bij de politie aangeeft, heeft hij geen moment last van zijn geweten. Op de vraag of hij zich niet schuldig voelt over het feit dat de dochter door zijn toedoen wees geworden is, reageert hij verbaasd. Hoezo? Hij heeft er toch vijf verzen over geschreven?

 

Dat Achterberg een groot dichter was, is onbetwist. Dat hij aan een vorm van krankzinnigheid leed ook. Maar waren beide onlosmakelijk met elkaar verbonden? Beschikte hij over genen die zowel voor zijn dichterschap als zijn krankzinnigheid verantwoordelijk waren? Zijn psychiaters waren ervan overtuigd en vonden het om die reden eigenlijk lastig om hem te behandelen: ‘Ons probleem was: een uniek mens aan te passen, wat dan zijn creativiteit zou doden’.

Behalve dat het van een ontroerend optimisme getuigt dat ze dachten hem te kunnen genezen, is het maar de vraag of ze daarmee ook werkelijk zijn creativiteit gedood zouden hebben. Wellicht, maar te bewijzen valt er niets meer.

Het bewijzen van een relatie tussen twee ongrijpbare begrippen als waanzin en creativiteit lijkt sowieso onbegonnen werk, maar in deze tijd van meten is weten wagen onderzoekers zich daar toch met enige regelmaat aan. De meest bekende van hen is de Amerikaanse psychologe Kay Redfield Jamison. Zij deed onder meer onderzoek naar het voorkomen van manisch-depressiviteit onder dichters van de achttiende eeuw en concludeert dat zeker één op de drie dichters voor de diagnose in aanmerking komt. Jamison, die zelf manisch-depressief is, verzamelt in haar boek Touched with Fire (1993) een illuster gezelschap van manisch-depressieve schrijvers om zich heen, van Byron en Shelley tot Edgar Allan Poe en Virginia Woolf. De zwakte van haar onderzoek is dat de meeste van de door haar aangehaalde schrijvers bij hun leven nooit een diagnose kregen, simpelweg omdat die nog niet bestond. Haar conclusies zijn daardoor nogal eens nattevingerwerk op grond van het toevallige beschikbare biografische materiaal. Zo vind je al snel wat je graag wilt vinden.

De Zweedse onderzoeker Simon Kyaga en zijn onderzoeksteam zijn daarom andersom te werk gegaan: in hun onderzoek, dat zich over 40 jaar uitstrekte, gingen zij van meer dan een miljoen geregistreerde psychiatrische patiënten na in hoeverre zij vaker dan normaal een creatief beroep uitoefende. Ook over deze opzet valt uiteraard te mitsen en te maren. Het aantal diagnoses is in de laatste decennia enorm toegenomen, van een handjevol tot over de driehonderd, en de grenzen van de afzonderlijke diagnoses zijn zodanig opgerekt dat iedere lastige puber of rouwende oudere de kans loopt in een diagnose gevangen te worden. De krankzinnigheid die Lord Byron iedere dichter toedacht is daarmee verwaterd tot een heel scala aan al dan niet ernstige psychische ongemakken. Ook is het kiezen van een creatief beroep geen enkele garantie voor groot kunstenaarschap. De derderangs rijmelaar waar Roland Holst op afgaf en de fantasieloze schilder van brave landschapjes kwalificeren met hetzelfde recht voor deze categorie als Gerrit Achterberg of Vincent van Gogh.

De resultaten die Kyaga in 2012 publiceerde, tonen niettemin een paar verbanden: van alle patiëntengroepen waren alleen de manisch-depressieve patiënten bovengemiddeld vertegenwoordigd in de creatieve beroepen; van patiënten met stoornissen als schizofrenie, autisme, manisch-depressiviteit en anorexia nervosa hadden de naaste familieleden vaker dan gemiddeld een creatief beroep.

De verbanden waren zwak – veeleer een voorzichtige indicatie dan een hard bewijs – maar haalden desondanks wereldwijs het nieuws. Waarschijnlijk zegt dat meer over de aantrekkelijkheid van de mythe van de krankzinnige kunstenaar dan over de concrete band tussen creativiteit en waanzin.

 

Maar stel dat spijkerhard aangetoond zou kunnen worden dat schrijvers en waanzin zich inderdaad opvallend vaak in elkaars gezelschap ophouden, wat betekent dat dan precies? Dat er, zoals het Zweedse onderzoek suggereert, inderdaad een genetisch verband tussen beide bestaat? Of zou het simpelweg ook kunnen betekenen dat de eenzaamheid van het schrijversbestaan en de stress van het jarenlang ongewis ploeteren aan een verhoopt meesterwerk de schrijver het ravijn van de depressie induwt? Voor Rogi Wieg is dat laatste, schrijft hij in zijn autobiografische roman Kameraad Scheermes, in elk geval een factor: ‘wie nooit gedisciplineerd heeft geleefd en zich teruggetrokken heeft uit de maatschappij is een prima ‘gastheer’ voor een zware depressie.’

Dat geldt zeker als het schrijven niet het gehoopte resultaat heeft. Geerten Meijsing beschrijft in Tussen mes en keel hoe hij alles opoffert om te werken aan het boek dat zijn geïsoleerde schrijversbestaan moet rechtvaardigen: geld, relatie, nachtrust en tenslotte zijn geestelijke gezondheid. Als het boek vervolgens op geen enkele belangstelling kan rekenen stort hij zodanig in dat hij in een inrichting moet worden opgenomen.

Schrijven kan lijden zijn, maar het omgekeerde geldt niet minder: voor mensen die aan depressies lijden en moeite hebben met het reguliere bestaan kan het isolement van het schrijverschap lonken als een legitieme ontsnappingsroute. Het was de reden voor dichter Lévi Weemoedt om zijn baan als leraar op te zeggen en voor het schrijverschap te kiezen. ‘Waarom ik het doe,’ vertelde hij in een interview, ‘heeft te maken met: een depressie zondert je af van de mensen. Ik kan niet werken en leven in een gemeenschap en dus neem ik afstand. Schrijven is afstand nemen.’

Ook voor Reve was het schrijverschap de ontsnappingsroute uit een samenleving waarin hij zich weinig op zijn gemak voelde. Zoals hij zijn huisarts schreef: ‘Ik heb nu min of meer vastgesteld, dat ik uit het leven geheel niet wijs kan.’ Voor Reve gold nog een ander argument om te schrijven. Zijn psychiater had het hem aangeraden met de opmerking ‘an unhappy childhood is a writers goldmine’. Als leed kan worden omgezet in begrip, had de psychiater daaraan toegevoegd, wordt het vruchtbaar. De avonden was van dit advies het resultaat.

Sinds Freud zijn licht over onze psyche heeft laten schijnen zijn we het bovenhalen en verwerken van verdrongen kinderleed als heilzaam gaan beschouwen. Ook andere schrijvers dar Reve bleken voor deze gedachte gevoelig. ‘Een schrijver is zijn eigen psychiater,’ stelde Hermans. En zowel Wolkers, naar aanleiding van zijn vroeg overleden broer (zie kader), als Jeroen Brouwers, naar aanleiding van zijn ervaringen in het Jappenkamp en op kostschool, zouden het herhalen. Brouwers: ‘ik heb dat allemaal wel weten te verwerken, overigens dankzij het feit dat ik in staat ben om te schrijven, zodat je dus je eigen psychiater bent.’

 

Schrijven kan therapeutisch zijn, het kan een ontsnappingsroute zijn voor depressieve mensen die zich in de samenleving niet thuis voelen en het kan een stressvolle bezigheid zijn die tot waanzin drijft. Los van het feit dat de meeste schrijvers psychisch niets ernstigs mankeert, is het verband tussen waanzin en creativiteit niet in simpele statistieken te vangen. Wie zoekt naar een verband tussen creativiteit en waanzin raakt al snel verstrikt in een onontwarbare kluwen van persoonlijke geschiedenissen, toevallige omstandigheden, motivatie, talenten, erkenning en verguizing. Veel meer dan de constatering dat behoorlijk wat schrijvers psychische problemen hebben, zal geen onderzoeker met harde feiten kunnen staven.

Schrijvers zelf weten ook niet altijd precies waarom ze schrijven. Maarten Biesheuvel schreef in zijn verhaal Brief aan Vader, waarvan het voorlezen bij Adriaan van Dis in 2013 menigeen in het geheugen gebrand zal staan:

‘Tot mijn zesentwintigste was ik een gelukkig man en toen ben ik in het gekkenhuis beland. Vader, ik ben nu al achtentwintig jaar ziek, ik hoor niet in de maatschappij en ik hoor niet op mijn studeerkamer, dat wil zeggen, ik voel mij nergens thuis. Reizen kan ik niet. De laatste tijd kan ik niet meer lezen (…). Muziek doet me ook niet veel meer. Schilderijen maken me bang. Ik houd me dan steeds voor dat ik schrijven wil of moet. Misschien is dat de opdracht in mijn leven.’

 

 

 

Kaderteksten

 

Alle kunstenaars en grote denkers zijn neurasthenici, en het ‘genie’, de ‘artisticiteit’ is, zolang de wereld bestaat, geweest en zal blijven: een toestand van het zenuwgestel in het menschenorganisme, die de pathologische terminologie ‘abnormaal’ noemt, dat wil zeggen: afwijkend van de norm, en gelijkend op de toestanden die men bij ‘krankzinnigen’ en ‘misdadigers’ aantreft.

Lodewijk van Deyssel, 1888

 

In Ernst

Tel van uw Brein licht ook de rijke vangst:

Het edelst in uw denken blijft uw angst.

Wie ’t eeuwig wezen loochent, kán nog groot zijn –

Wie ’t zonder wanhoop doet, is derderangs.

Adriaan Roland Holst

 

Wie nooit gedisciplineerd heeft geleefd en zich heeft teruggetrokken uit de maatschappij, is een prachtig slachtoffer voor een major depression. Hij is een fantastische ‘gastheer’ voor dit virus, dat zich in een razend tempo in je lichaam en geest zal verspreiden en je afweermechanisme aantasten.

Rogi Wieg in Kameraad Scheermes

 

Mijn spreuk is ‘een schrijver is zijn eigen psychiater’. Wat een ander in het oor fluistert van zijn psychiater achter een gecapitonneerde deur, dat fluister en schreeuw ik, vermengd met een hoop ruis, om die term eens te gebruiken, in het oor van het publiek.

Willem Frederik Hermans

 

Fens schreef in zijn kritiek (van het verhaal Vivisectie, RH): het is net iets te veel, dat die broer zichtbaar wordt. Het gekke is, ik wist toen ik het schreef, dat het te veel was, die beschrijving van m’n broer, toen hij dood was. Ik wist het, maar het moest erin, dwangmatig. Pas toen hij in Kort Amerikaans lag opgebaard, toen hij in mijn roman was, kon ik het eruit halen. Ik ben in Kort Amerikaans mijn eigen psychiater geweest.

Jan Wolkers