Leerzame weetjes van een door en door bange man

De Amerikaanse journalist en schrijver Scott Stossel lijdt aan emetofobie, ofwel braakangst. Deze angst domineert al vanaf zijn zesde, met wisselende hevigheid zijn leven. “Ik heb overal in huis, in mijn werkkamer en in de auto, braakzakjes die ik uit vliegtuigen gejat heb. (…) Ik heb te allen tijde Pepto-Bismol en Dramamine en andere antibraakmiddelen bij me. Als een generaal die de oprukkende vijand observeert, houd ik een gedetailleerde mentale kaart bij van gerapporteerde gevallen van norovirus en ander vormen van buikgriep (…) Ik ben zo geobsedeerd dat ik je op ieder moment kan zeggen in welke verpleeghuizen in Nieuw-Zeeland, cruiseschepen op de Middellandse Zee en basisscholen in Virginia een epidemie heerst.”

En dat is nog maar één van zijn angsten. Hij lijdt ook aan angst voor afgesloten ruimtes, hoogtes, spreken in het openbaar, flauwvallen, vliegen, kaas, bacillen, aan faalangst en aan de toegevoegde angst dat iemand iets van zijn angsten te weten komt.

Die laatste angst heeft hij definitief de kop ingedrukt met het schrijven van zijn indrukwekkende studie Mijn tijdperk van de angst. Niet alleen leren we alle ins en outs van zijn eigen angsten kennen, maar ook van die van zijn overgrootvader (die verlichting voor zijn angsten in elektroshocks vond, maar niettemin de laatste jaren van zijn leven in foetushouding in zijn slaapkamer doorbracht), van zijn moeder (heftige paniekaanvallen en braakangst) en van zijn dochtertje (die sinds haar zesde aan braakangst lijdt). Is de familie van Stossel getroffen door een angst-gen of geven ze hun angsten als bibberend voorbeeld van generatie op generatie door?

Het is een van de vragen waarop Stossel met een jarenlange literatuurstudie een antwoord heeft gezocht. Hij is met zijn zoektocht zowel de geschiedenis ingedoken – hoe is er door de tijden heen tegen angst aangekeken, wanneer en waarom is de paniekstoornis een officiële ‘ziekte’ geworden – als in het meest recente hersenonderzoek. Dat levert een vracht aan informatie op die Stossel tamelijk ongesorteerd over de lezer uitstort. Veel aandacht krijgt de opeenvolging van medicijnen waarmee de angst bestreden is en waarvan Stossel er vanaf zijn elfde jaar tientallen voorgeschreven heeft gekregen. “Ik ben”, schrijft hij, “een levende bewaarplaats van de farmacologische modes in de behandeling van angstgevoelens gedurende de afgelopen halve eeuw.”

De bottomline van zijn speurtocht is dat onderzoekers nog redelijk in het duister tasten over het hoe en waarom van angsten. Ook zijn vraag of het hardnekkig opduiken van angststoornissen in zijn familie erfelijk is of een opvoedingskwestie, krijgt het in de psychiatrie inmiddels gebruikelijke antwoord: waarschijnlijk een beetje van beide.

Wat uiteindelijk het meest zal bijblijven van Stossels boek zijn niet de leerzame weetjes maar de persoonlijke, vaak genante en soms hilarisch beschreven ervaringen. Het hoogtepunt is zijn verblijf bij de Kennedy-familie op Cape Cod, waar hij onderzoek deed voor een boek en waar talloze andere gasten, waaronder Bill Clinton, verzameld waren. Als Stossel vanwege zijn door angsten opspelende darmen gehaast een wc op de begane grond inschiet, veroorzaakt hij – buiten zijn schuld – een smerige overstroming die hij met de beschikbare handdoeken en zijn kleren opdweilt. Als hij tenslotte met de minst vieze handdoek om zijn heupen op een stil moment de wc uitvlucht, botst hij bijna op tegen John F. Kennedy Jr. die met zijn “Hallo, Scott” geen spoor van verbazing laat blijken.

Het meest verwonderlijke van Stossels verhalen is dat een man met zoveel en zulke heftige angsten, nog zo’n succesvol leven weet te leiden.

 

Scott Stossel: Mijn tijdperk van de angst

Vertaling uit het Engels: Aad Janssen en Jan Willem Reitsma

De Bezige Bij; 448 pagina’s; € 29,90

ISBN 9789023484493