Naoki Higashida

Waarom wapperen kinderen met autisme met hun handen voor hun ogen? Of gaan ze door het lint als ze een klein foutje maken? De Japanse autistische Naoki Higashida was dertien toen hij in 2007 in het recent vertaalde Waarom ik soms op en neer spring zijn antwoorden op deze en andere vragen formuleerde. Hij deed dat met behulp van een alfabetraster, een kartonnen bord met zesenveertig Japanse basiskarakters waarop hij de lettertekens aanwees die een geduldige helper noteerde. Praten kon, en kan, hij nauwelijks. Het alfabetraster, ooit bedacht door zijn moeder, stelde hem in staat te communiceren met anderen en gedichten en verhaaltjes te schrijven.

Waarom ik soms op en neer spring heeft hij geschreven om het begrip te vergroten voor de rare gedragingen van autisten. Dat hij door het lint gaat bij een klein foutje, bijvoorbeeld, is omdat hij dan overspoeld wordt door een zo overweldigend gevoel van falen dat hij nog maar één ding weet: weg uit deze situatie, desnoods met huilen, schreeuwen, schoppen en slaan. En dat fladderen? “Als we met onze vingers en handen voor ons gezicht wapperen, valt het licht op een prettige, gefilterde manier in onze ogen”. En ongefilterd licht prikt.

Higashida is niet de eerste autist die een beschrijving geeft van hoe zijn wereld eruit ziet. Temple Grandin, Daniel Tammet, Wessel Broekhuis en Kees Momma – om er een paar te noemen – gingen hem voor. Voor wie een beetje thuis is in deze literatuur bevat Waarom ik soms op en neer spring dan ook geen bijzonder verrassende inzichten. Wat het boek bijzonder maakt is dat het geschreven is door iemand die – anders dan de hierboven genoemde schrijvers – zijn weg in het leven nog moet vinden. Zijn verslag van een leven dat vaak en heftig op zijn kop staat, ontroert door de zorgvuldigheid waarmee hij dit tumult onder woorden probeert te brengen.

 

Naoki Higashida: Waarom ik soms op en neer spring – de eigen stem van een 13-jarige jongen met autisme

Nieuw Amsterdam; 144 pagina’s; € 16,95

ISBN 9789046816325