Op expeditie door het lichaam

Emily Parkinson, een in Edinburgh wonende accountant en moeder van twee jonge kinderen, merkt op een ochtend dat de linkerkant van haar gezicht niet goed functioneert. Haar linker ooglid hangt, haar glimlach is scheef. ‘Het lijkt wel of je een beroerte hebt gehad’, constateert een collega. Geschrokken gaat ze naar haar huisarts., Gavin Francis, die haar meteen gerust kan stellen: het is geen beroerte maar de ziekte van Bell, een ontsteking in de zenuw die de spieren van het gezicht aanstuurt. Met een afgeplakt oog, medicijnen tegen de zwelling rond de zenuw en het nodige geduld moet het vanzelf weer beter worden. Ze behoort tot de pechvogels bij wie het niet beter wordt en omdat ze met haar opvallend scheve gezicht nauwelijks meer onder de mensen durft te komen, legt Francis haar een noodmaatregel voor: het laten behandelen van haar goede gezichtshelft met Botox zodat het geheel weer wat meer symmetrisch wordt. Een tijdje lijkt dat de oplossing, maar uiteindelijk besluit ze maar met haar handicap te leren leven omdat haar gezicht nu aan beide kanten geen emoties meer kan tonen: ‘mijn gevoelens zijn echter als ik ze kan laten zien. Ik wil niet met een masker op door het leven.’

 

Francis heeft het verhaal van Emily opgenomen in zijn deze week verschenen Avonturen in de mens. In dit boek maakt hij in achttien verhalen een reis langs verschillende onderdelen van het menselijk lichaam, van de schedel tot aan de tenen. De metafoor van de reis is niet toevallig gekozen. De nu 40-jarige Francis reisde de eerste tien jaar na zijn studie over alle continenten, werkte in dorpsklinieken in India en Afrika en ging mee als expeditiearts naar de Noord- en de Zuidpool. Over deze laatste, 15 maanden durende expeditie schreef hij het alom geprezen en tot Scottish Book of the Year gekozen Empire Antartica.

Voor de meeste mensen is een reis door het eigen lichaam niet minder een ontdekkingsreis dan een reis naar Antartica. We verdiepen ons doorgaans zelden in het precieze samenspel van zenuwen, spieren, bloed en organen dat ons gaande houdt. Pas als we iets mankeren zijn we geneigd de blik naar binnen te richten, maar zodra het mankement verholpen is, ritsen we de huid mentaal liefst weer zo snel mogelijk dicht.

Francis nodigt je uit om met hem mee door het lichaam te reizen en hij doet dat aanlokkelijk. Behalve dat hij buitengewoon onderhoudend en informatief schrijft, kijkt hij verder dan de medische handboeken hem hebben leren kijken. Zijn reis voert met hetzelfde gemak en enthousiasme over historische paden, naar andere culturen en door de wereld van de kunst als langs de anatomie en de spreekkamer.

Als hij het over het gezicht heeft, en de ziekte van Bell van Emily, brengt hem dat naar de vijftiende eeuw, toen Leonardo da Vinci als anatoom de aangezichtsspieren blootlegde om te onderzoeken hoe deze de talloze uitdrukkingen van emoties mogelijk maken. Deze kennis bracht hij vervolgens als schilder, met bijvoorbeeld het subtiele glimlachje van de Mona Lisa, in praktijk.

Als hij het over de hand heeft met zijn fragiele structuur van losse botjes en smalle zenuwen, en een patiënt krijgt die met een spijkerpistool een spijker door zijn hand geschoten heeft, brengt hem dat op de totale onmogelijkheid om een mens op te hangen door zijn handen aan een kruis te spijkeren. De handen zouden – zoals een chirurg in de jaren dertig van de vorige eeuw met behulp van spijkers, een houten kruis en lijken aantoonde – volledig aan flarden scheuren.

Een beschrijving van de lever leidt naar Sneeuwwitje (waarom moest de jager die het bos ingestuurd wordt om Sneeuwwitje te doden uitgerekend haar lever voor de koningin meenemen als bewijs?); de patiëntenervaring van een hartoperatie illustreert hij met een gedicht van Robin Robertson (‘Vier uur was ik weggeweest: buiten mijn lijf. Gedood en de wereld weer ingeschokt’); en het oog voert hem terug naar de oude Grieken die eeuwenlang meenden dat de ooglens een zender was die energie en licht de wereld instraalde (tot Aristoteles zich afvroeg waarom we dan eigenlijk niets in het donker zagen).

Behalve met eruditie schrijft Francis ook met liefde over zijn werk in de spreekkamer. Hij laat ons horen wat hij hoopt te horen als hij met de stethoscoop de longen onderzoekt (‘lucht die door de blaasjes stroomt als ritselende bladeren op een briesje’), en wat hij niet wil horen (het resoneren van de stem door een hard stuk long). En hij laat ons meekijken als hij met zijn oftalmoscoop in het oog van een patiënt tuurt, hoofd tegen hoofd in een verduisterde kamer: ‘het is een onthutsende ervaring, een beeld van de binnenkant van iemands oog zo kunstig op het jouwe projecteren, het ene netvlies dat het andere onderzoekt door tussenkomst van een lens.’

Over waar het in zijn vak allemaal om draait – het beter maken van patiënten – schrijft Francis met bescheidenheid. Het is, beseft hij, maar betrekkelijk wat hij voor zijn patiënten kan betekenen. Emily heeft met haar ziekte van Bell moeten leren leven. Over een meisje dat na een geschiedenis van misbruik dwangmatig in haar armen snijdt constateert hij gelaten dat hij zich totaal niet bij machte voelde haar te helpen. Soms overlijden patiënten – zoals het meisje dat na een zware astma-aanval bewusteloos raakt en uiteindelijk hersendood is – en soms genezen ze.

Vaak, schrijft Francis, ‘is zelfs het meest bescheiden doel onhaalbaar; voor het overgrote deel gaat het er niet om op een spectaculaire manier levens te redden, maar rustig en methodisch te proberen de dood op te schorten.’

Eruditie, praktijkervaring, liefde voor het vak, bescheidenheid, humor en een goede hand van schrijven: het zijn de ingrediënten die van Avonturen in de mens een leerzame en vooral een bijzonder aangename reis maken.

 

Gavin Francis: Avonturen in de mens

Uit het Engels vertaald door Nico Groen

Nieuwezijds; 262 pagina’s; € 19,95

ISBN 978 90 5712 4587