Rouw als waanzin

“Dat is het enige waar je voor deugt. Stront opruimen.” Het zijn de laatste woorden die de Britse schrijfster Lisa Appignanesi van haar overhaast in een ziekenhuis opgenomen man te horen krijgt. Ze staat op dat moment in de aan zijn kamer grenzende badkamer, gebogen over een hopeloos ongeluk waarin zijn pyjamabroek min of meer drijft. Ze heeft de energie niet meer om te doen wat hij min of meer van haar eist, de boel opruimen en zijn lievelingspyjama wassen. Een dag later is hij dood. Ze houdt zichzelf voor dat hij ijlde door de koorts en zichzelf niet meer was na twee jaar uitputtende kankerbehandelingen en het onafwendbare vooruitzicht van zijn dood. Maar toch, zijn laatste woorden willen niet meer uit haar hoofd: was dat wat hij werkelijk over haar dacht? Wat niet helpt is als ze vlak voor de begrafenis op zoek gaat naar zijn testament en in een bureaula een envelop met foto’s vindt. Ze kent de jonge vrouw op de foto’s. Vanwege haar waren Appignanesi en haar man negen jaar eerder uit elkaar. Na een jaar komen ze weer samen en wordt de affaire in hun tweeëndertigjarige huwelijksgeschiedenis bijgeschreven als een midlifecrisis. Maar vergeten blijkt het niet. De bewaarde foto’s en de akelige laatste woorden triggeren dezelfde woede en jaloezie die haar ook negen jaar eerder parten speelde: “Nu, na zijn dood, greep het ene moment uit mijn geschiedenis in het andere. In beide gevallen voelde ik me net zo gek en droevig als een aantal van de historische figuren die mijn boeken over dit onderwerp bevolken.”

Haar ‘gekte’ bestaat uit een voortdurend oplaaiende woede die haar rouwproces bijna een jaar overheerst.

 

Appignanesi raakte internationaal bekend met bestsellers als Gek, slecht en droevig (2009), over vrouwen die in de loop der tijden met de psychiatrie in aanraking waren geweest, en Alles over liefde (2011), over de verschijningsvormen van liefde die soms wel erg veel van een psychiatrisch ziektebeeld hebben.

Net als liefde, kan ook rouw zich als een vorm van waanzin gedragen. Dat we het toch geen waanzin noemen, komt omdat we het binnen de gegeven omstandigheden als heel verklaarbaar beschouwen. Of, om met Appignanesi te spreken, als alledaagse waanzin.

 

Alledaagse waanzin bestaat uit drie delen. In het eerste deel, Rouw, beschrijft Appignanesi haar ervaringen in het jaar na de dood van haar man: de verwachtingen van anderen die maken dat ze haar woede zoveel mogelijk verborgen houdt, de tranen die maar niet willen komen, het gemak van rituelen, de mooie woorden die bij herdenkingen worden gesproken en waarin ze haar man maar moeilijk herkent en het vermoeden dat de ruziegesprekken die ze in gedachten, en soms hardop, voortdurend met hem voert, vooral een manier zijn om hem terug te halen.

In het tweede deel, Verlies, zoekt ze een bredere historische, literaire en maatschappelijke context voor haar woede om die beter te begrijpen. Dat brengt haar, in losse hoofdstukjes, van de jaloerse woede van Medea uit de oudheid, naar de verbeten jaloezie die Proust in zijn werk beschrijft, maar ook naar een marktkoopman die haar afsnauwt, naar internet met al zijn ongecontroleerde en vooral negatieve getweet, naar de nationale boosheid rond de Brexit en het wereldwijde boze populisme met Trump als voorlopig hoogtepunt.

Maar deze verwevenheid van verschillende invalshoeken, die zo goed werkte in Appignanesi’s eerdere boeken, leest in Alledaagse waanzin vooral als een rommelige onderbreking van haar verhaal. Het voegt geen verrassende inzichten toe en verklaart ook haar boze rouw niet. De link met haar eigen verhaal blijft beperkt tot vrijblijvende uitspraken als: “Mijn rouw paste in de tijdgeest. Het kan ook zo zijn dat de politieke omstandigheden mijn eigen situatie juist verergerden of ondersneeuwden. Iedereen was boos. We waren allemaal verwoede verliezers.”

Wat het tweede deel overeind houdt zijn de stukjes over haar ouders, Pools-joodse immigranten die in 1946, vlak na de geboorte van Appignanesi via Parijs naar Canada trokken. De altijd aanwezige, zij het meestal ingehouden woede van haar vader, die tegenwoordig ongetwijfeld als posttraumatische stress zou worden aangemerkt, maakt in elk geval duidelijk waarom ze zo schrikt van haar eigen, zo totaal onverwachte woede.

 

In het derde deel, Liefde, pakt ze het verhaal van haar rouw weer op, te beginnen met de geboorte van haar eerste kleinkind op het moment dat haar man aan zijn eerste ronde chemotherapie bezig is. Ze merkt dat het een zegen is voor haar man, die helemaal kan opgaan in de wereld van zijn kleinzoon: “Een kleine man is het beste medicijn dat een grote man kan wensen.” Maar de ‘waanzinnige’ liefde die ze voor haar kleinzoon voelt blijkt niet minder een zegen voor haarzelf: “Ik ben zo blij dat ik hem elke week een hele dag en nacht als mijn vriendje heb in mijn droevige, woedende rouwperiode. Ik vermoed dat de waanzin van deze liefde als tegenwicht me heeft geholpen om los te komen uit de klauwen van de eerste.” Heel fraai beschrijft Appignanesi hoe haar kleinzoon op tweejarige leeftijd een equivalent van haar eigen waanzinnige woede doormaakt als hij een broertje krijgt. Het vrolijke, open jochie wordt door dit ‘eerstegraads verraad’ een onhandelbare boze peuter die vaak net iets te lang zijn arm om het nekje van zijn kleine rivaal klemt.

Het is jammer dat het tweede deel het boek zo uit evenwicht trekt. Het eerste en laatste deel vormen samen een mooi, persoonlijk boek over inktzwarte woede en rouw, en hoe het uiteindelijk toch weer goed komt, voor zowel oma als kleinzoon.

 

Lisa Appignanesi: Alledaagse waanzin – Over rouw, woede, verlies en liefde

De Bezige Bij; 304 pagina’s; € 22,99

ISBN 9789403138800