Tussen ‘go’ en ‘stop’ zit een eigen wil

Het Stanford marshmallow-experiment stamt uit de jaren zestig van de vorige eeuw: een kleuter wordt in een kamer gebracht waar een marshmallow voor hem klaar ligt. De proefleider zegt dat hij nog even weg moet, en dat het kind intussen de marshmallow gerust op mag eten, maar dat hij nog een extra marshmallow krijgt als hij wacht tot de proefleider weer terug is. Als deze na vijftien minuten terugkomt, hebben de meeste kleuters, soms na lang aarzelen, de marshmallow opgegeten.

Het experiment was opgezet om te kijken hoe kinderen probeerden weerstand te bieden aan hun impulsen. Pas toen de onderzoekers twintig jaar later nogmaals de kans kregen dezelfde kinderen te onderzoeken, werd de link met wilskracht gelegd. De kinderen die de marshmallow geduldig hadden laten liggen, bleken in het leven op veel gebieden succesvoller dan de te vroeg bezweken snoepers. Ze scoorden beter op school, waren populairder bij leeftijdsgenoten, gingen meer verdienen en hadden minder vaak drugsproblemen. Lag dat aan hun al als kleuter aan de dag gelegde wilskracht? Die verklaring lag op dat moment niet zonder meer voor de hand. De protestgeneratie van de jaren zestig had het credo verspreid dat je moest doen wat je gevoel je ingaf, dat ik ok was en jij ook, dat tegenslag in het leven vooral een gevolg was van beroerde omstandigheden en dat wilskracht een abjecte erfenis was van de Victoriaanse tijd die tot enge frustraties leidde.

Pas aan het eind van de vorige eeuw kwam wilskracht in de aandacht als een niet te verwaarlozen onderdeel van de maakbaarheid van het eigen leven. Met name de Amerikaanse psycholoog Roy Baumeister liet met onderzoek zien dat wilskracht geen ingebakken morele eigenschap is maar een met spierkracht vergelijkbaar vermogen: door oefening kun je het trainen, door overbelasting uitputten. Zijn boeken (waarvan het meest recente: Roy F. Baumeister & Jonh Tierney: Wilskracht – de herontdekking van de grootste kracht van de mens, 2012) hebben een stroom publicaties en zelfhulpgidsen op gang gebracht over hoe we onze wilskracht kunnen mobiliseren om betere mensen te worden.

Twee nieuwe loten aan deze stam zijn Smart Change van de Amerikaanse psycholoog Art Markman en Je bent wat je doet (verschijningsdatum 3 april) van sociaal psychologe Roos Vonk.

Beide boeken hebben hetzelfde uitgangspunt: als je weet hoe slechte gewoontes door de hersenen ondersteund worden, ben je beter in staat die gewoontes te stoppen en te vervangen door betere.

Beiden beschrijven dan ook hoe gewoontes ingesleten raken in de hersenen, hoe nuttig dat meestal is, en waarom ze zo moeilijk af te leren zijn. Markman beschrijft in een systematisch opgezet betoog de werking van de hersenen aan de hand van twee circuits: het Go System dat actief wordt dankzij doelen: je hebt honger, je wilt eten, je onderneemt actie. En het Stop System dat actief wordt als dit gedrag onderdrukt moet worden: je wilt weliswaar eten, maar je zit in een vergadering dus je moet het nog even uitstellen. Dat is op zich goed te doen. Problemen ontstaan als je gedrag prima past bij een korte termijn doel (zoals een sigaret opsteken) maar waar je vanwege een in de verre toekomst gelegen doel (gezond oud worden) graag vanaf wil. Markman reikt vijf gereedschappen aan waarmee je dit ongewenste maar ingesleten gedrag effectief te lijf kunt gaan. (zie kader)

Het voor een breed publiek goed leesbare betoog van Vonk is meer anekdotisch en draait om doen: wie wil veranderen moet in beweging komen, nu, en niet pas als het ‘goed voelt’ of als dat ene feestje achter de rug is. We kunnen smoezen verzinnen tot we erbij neervallen maar het juiste moment komt nooit en uitstellen maakt het niet gemakkelijker. Integendeel: iedere sigaret en bitterbal versterken een slechte gewoonte, en iedere wortel en wandeling versterken een betere, nieuwe gewoonte.

Vonk is niet, zoals Markman, ‘van de how to-aanpak met een lijstje bullets: doe zus, doe zo.’ Wie inzicht heeft in hoe het werkt, verzint dat zelf wel. Maar ze geeft wel tips om op gang te komen, en met haar belangrijkste aanbeveling wijkt ze niet af van Markmans belangrijkste advies: maak een specifiek plan van uitvoering. Schrijf op hoe, waar, wanneer en met wie je je voornemen gaat waarmaken.

 

Er valt op de adviezen van Markman en Vonk weinig af te dingen. Maar helpen ze ook? Dat is de vraag. Is degene die goede voornemens uitstelt, ook degene die uit is op adviezen? Het vereist al een behoorlijke portie wilskracht een zelfhulpboek te lezen, de opgegeven oefeningen te doen en een plan van aanpak uit te werken. Zo beland je in een cirkel. Waarschijnlijk zijn boeken als deze vooral een steuntje in de rug voor mensen die al flink gemotiveerd het pad van de goede voornemens opgewandeld zijn.

 

Roos Vonk: Je bent wat je doet – Van zelfkennis naar gedragsverandering

Maven Publishing; 240 pagina’s; € 18,50

ISBN 9789491845017

 

Art Markman: Smart Change – Five Tools to Create New and Sustainable Habits in Yourself and Others

A Perigee Book, Penguin Group; 276 pagina’s; € 25,50

ISBN 9 780399164118