Veilig in de inrichting

Het valt Edgar Simons nog niet mee, dat psychiater worden. Wat, bijvoorbeeld, zeg je tegen een depressieve kunstenaar, die geen hulp wil en oppert dat hij wel eens een einde aan zijn leven zou kunnen maken? Edgar besluit iets uit te proberen wat hij in een biografie van Gerrit Achterberg las. Achterberg werd ooit, wegens het belagen van een vriendin, in labiele toestand door een agent buiten de grens van Wageningen gezet. Toen hij vervolgens met zelfmoord dreigde, raadde de agent hem aan rechtdoor te rijden: ‘dan duik je zo naast een krib de rivier in en krijg je je zin’. Het onverwachte antwoord ontwapende Achterberg. Edgar heeft goede hoop dat een dergelijke ‘paradoxale interventie’ – bedoeld om een tegengestelde reactie te ontlokken – ook bij zijn sombere kunstenaar zou kunnen werken: ‘Als u hier het ziekenhuis uit loopt, dan vindt u aan de rechterhand het station. Als u daar voor de trein stapt, dan krijgt u uw zin’. De patiënt bedankt Edgar met een glimlachje voor zijn advies en volgt het letterlijk op.

Edgar, die aan deze blunder een tuchtzaak overhoudt, is de hoofdpersoon van Erik Rozings vlot geschreven debuutroman De psychiater en het meisje. Rozing volgde net als zijn hoofdpersoon een opleiding tot psychiater en put uit eigen ervaringen om met humor en scepsis het reilen en zeilen van een psychiatrisch ziekenhuis te beschrijven. Het grootste probleem waarmee hij zijn hoofdpersoon opzadelt, is niet de tuchtzaak maar de aantrekkelijke, jonge en knettergekke Stella. Deze borderline-patiënte – met talloze littekens van het snijden in haar armen, voortdurende zelfmoordpogingen, sterk wisselende stemmingen, rechtstreekse humor en manipulatieve gedrag – stort zich op Edgar en dringt ongevraagd steeds dieper zijn privéleven binnen. Wat moet hij met haar verklaarde verliefdheid, zijn eigen ambivalente gevoelens en de halfslachtige adviezen van zijn opleiders? De psychiaters die hem begeleiden lijken vooral geïnteresseerd in het zo snel mogelijk tot een diagnose komen en een passende medicatie zoeken. Ook zijn eigen gestuntel baart hem zorgen. Moet hij wel psychiater worden? En eerlijk gezegd vraag je je aan het slot van het boek af waarom het antwoord positief uitvalt.

 

De psychiater en het meisje past in een traditie van romans die in psychiatrische ziekenhuizen spelen, maar valt daarin op doordat het vanuit het perspectief van de psychiater geschreven is. Een van de zeldzame eerdere romans waarin dat het geval is, is de Amerikaanse bestseller Mount Misery (1996), waarin psychiater Samuel Shem de psychiaters die hem opleidden met vileine graagte fileert. Vilein wordt Rozing zelden maar de echo van Mount Misery klinkt onmiskenbaar in zijn verhaal door.

Het overgrote deel van romans die in een psychiatrische inrichting spelen wordt geschreven vanuit het gezichtspunt van de patiënt, een traditie die op stoom begon te komen in de jaren van de antipsychiatrie, toen de nadruk lag op wat de patiënt met pillen, elektroshock en isoleer werd aangedaan door een hardvochtig inrichtingsregime. In de meer recente ervaringsverhalen ligt de nadruk vooral op wat de psychiatrische patiënt doormaakt en is de teneur ten aanzien van het inrichtingsregime aanzienlijk positiever. Schrijvers als Hans Dorrestijn, Geerten Meijsing en Myrthe van de Meer beschrijven de inrichting waar zij ooit waren opgenomen als een tijdelijk thuis waar je bij zinnen en op adem kunt komen, het personeel op jouw hand is en het verblijf doorgaans zo kort mogelijk gehouden wordt. Ook Zeger Van Herwaarden schrijft in zijn recent verschenen Inrichting in positieve termen over de opname van zijn hoofdpersoon Simon in een psychiatrisch ziekenhuis: “Zittend voor dokters en verplegers vertelde ik achter elkaar door de persoonlijkste geschiedenissen, met het overheersende gevoel dit op de juiste plek, het juiste moment en jegens de juiste mensen te doen. Ik trof begrip, vriendelijkheid en vertrouwenwekkende oogopslagen. Op dit reuzenschip was ik veilig. De brommende motoren fluisterden sonoor.”

Inrichting is de buitengewoon mooie autobiografische roman van Van Herwaarden – sportjournalist voor Het Parool en schrijver van een voetbalbiografie van Marco van Basten – over de drie psychoses die hij twintig jaar geleden in zijn studententijd doormaakte. Wat vooral indruk maakt is hoe hij de overgangen van zijn geest beschrijft: van enthousiast en vol ideeën naar wel heel overenthousiast tot volkomen psychotisch. Hij weet de mengeling van realiteit en waanideeën voor de lezer zo niet begrijpelijk dan toch invoelbaar te maken. Je voelt mee hoe onacceptabel het is voor hem, de beroemde voetballer Aron Winter, om in het spelershotel van de Oranjeploeg achter slot en grendel gesloten te worden, waardoor hij trouwens ook nooit meer op tijd zijn teksten voor het NOS-journaal kan schrijven, en om tegelijk voortdurend ondervraagd te worden door mensen die geen benul hebben van zijn gelauwerde gedichten en alom geciteerde dagboeken, waarbij het dan weer een geluk is dat ook schrijver Jack Kerouac aanwezig blijkt te zijn, die hem over zijn grote schrijverskwaliteiten gerust kan stellen. In deze waanwereld dringt met het aanslaan van de medicatie geleidelijk meer realiteit door en kan de weg terug naar normaal worden ingezet. Tot het weer misgaat en het proces nog een keer doorgemaakt moet worden. Gelukkig is dat de laatste keer.

Voor de patiënten in Inrichting geldt niet minder dan voor de patiënten in De psychiater en het meisje dat het vinden van de juiste medicatie voor hun herstel een cruciale rol speelt. Maar de context waarin dat gebeurt geeft in Inrichting aanzienlijk meer vertrouwen in de de hedendaagse psychiater dan die in de roman van Rozing. We kunnen alleen maar hopen dat Van Herwaarden dichter op de waarheid zit.

 

 

 

Erik Rozing: De psychiater en het meisje

Meulenhoff; 442 pagina’s; € 19,99

ISBN 9 789029 090896

 

Zeger van Herwaarden

De Arbeiderspers; 236 pagina’s; € 18,99

ISBN 9 789029 538596