We genieten niet van wat wél mag, volgens de psychoanalyticus

In 2003 waren er zoveel verkeersongelukken op de kruispunten van het Friese Drachten dat maatregelen geboden waren. Verkeersdeskundige Hans Monderman raadde een maatregel aan die tegen iedere intuïtie inging: haal alle verkeerslichtenlichten weg en maak mensen zelf verantwoordelijk voor hun eigen veiligheid. Hij had gelijk. De ingreep leidde tot een zo drastische daling van het aantal ongelukken dat in Europa en Amerika een vloedgolf van ‘rodelichtverwijderingsplannen’ volgde.

De Britse psychoanalyticus Adam Phillips werkt dit voorbeeld uit in zijn zojuist verschenen twintigste boek, Het plezier van alles wat mag. Hij wil ermee laten zien dat we, zeker in het Westen, geneigd zijn regels en verboden voortdurend tegen het licht te houden: door wie en in wiens belang zijn ze gemaakt, geven ze ons bescherming of vooral straf en wat kost het ons om ze te overtreden? We zijn, is de bottomline van Phillips boek, zelfs zozeer door het verbodene geobsedeerd, en vooral door de genoegens van het verbodene, dat we het zicht op het genoegen van wat wel mag zijn kwijtgeraakt: ‘De niet-verboden genoegens zijn benadeeld door de meer bevoorrechte verboden genoegens’. Ze lijken er vaak zelfs niet meer dan een slap aftreksel van te zijn.

Dat Phillips deze boude stelling illustreert met de verkeerssituatie in Drachten is opmerkelijk. Het is het enige concrete voorbeeld in het boek, en onderstreept ongetwijfeld dat waar een verbod is, de overtreding op de loer ligt, maar zegt weinig over onze waardering van alles wat wel mag. Wat bedoelt hij precies met die geoorloofde genoegens? Veel verder dan met ‘genieten van een kopje koffie in de ochtend’ helpt hij ons niet op weg.

Wat de verboden genoegens betreft volstaat hij met het grote gebaar. Te beginnen met Adam en Eva die, opgezweept door hun verlangen naar die ene verboden vrucht, hun paradijselijk geluk veronachtzaamden en verspeelden. En vervolgens, toen de bijbel zijn greep op de samenleving begon te verliezen, met Freud, die iedere peuter opzadelde met het allesbepalende en kwellende verbod zijn moeder te begeren en zijn vader de vader uit de weg te ruimen.

Voor Phillips, die na zijn studie Engels door de psychoanalyse werd gegrepen, zich liet omscholen, jaren als kindertherapeut werkte en tegenwoordig een psychoanalytische privépraktijk heeft, is Freuds gedachtegoed nog altijd springlevend. De vrijdagen reserveert hij voor het schrijven en dan laat hij, zoals hij zelf zegt, zijn gedachten op het papier stromen zoals ze bij hem opkomen. Dat heeft boeken opgeleverd die zowel prikkelen als irriteren. Prikkelend zijn de grote eruditie waarmee hij literatuur, filosofie en psychologie verweeft en de vraagtekens die hij bij onze vanzelfsprekendheden plaatst. Irriterend zijn de chaotische gedachtesprongen en de stelligheden die zonder al te veel toelichting op ons afgevuurd worden. Ook Het plezier van alles wat mag heeft al die kenmerken. Oscar Wilde, Shakespeare, Beckett, Nietzsche en uiteraard Freud worden overdadig maar met kennis van zaken geciteerd. Freudiaanse zekerheden staan achteloos tussen haakjes alsof we er alleen maar even aan herinnerd hoeven te worden (‘Verslaving komt altijd neer op het voortdurend proberen om wat als kwaadaardig bemoederen werd ervaren te overleven, het bemoederen waaraan je je moest onderwerpen’). En het wemelt in de tekst van de vage ‘misschienen’ (‘Wat we niet weten, wat we niet hebben begrepen, is misschien het meest reële aspect van ons. Dat is misschien wat er gebeurt’). Het is met name deze vaagheid, het voortdurend opwerpen van vragen zonder ze te beantwoorden, die gaat storen en je al lezend regelmatig doet denken ‘man, neem eens een beslissing, het is jouw boek’.

Waar Phillips in eerdere boeken– zoals Het ongeleefde leven – het prikkelen en irriteren aardig in balans weet te houden, laat hij in Het plezier van alles wat mag het irriteren met vlag en wimpel winnen.

 

 

Adam Phillips: Het plezier van alles wat mag

Ambo; 224 pagina’s; € 19,99

ISBN 9 789026 333682